095.
Bijbelstudie over de
LEUGENVERHALEN OVER YESHUA -
TOLEDOT YESHU
v>y tvdlvt
Deze Bijbelstudie
vind ik heel bijzonder omdat zij namelijk begint in mijn eigen geboortestreek.
In het jaar 1859 werd namelijk in Bingerbrück, niet ver van mijn geboorteplaats
Sankt Wendel, bij de aanleg van een treintraject een zeer omvangrijke Romeinse
begraafplaats blootgelegd. Deze begraafplaats bevond zich net buiten de
stadspoorten van de Romeinse garnizoenstad Bingium,
het huidige Bingen am Rhein, die door Tacitus
in zijn ‘Historiae’ genoemd wordt. De
blootgelegde grafmonumenten, voornamelijk grafstenen van soldaten van de Auxiliartroepen, werden overgebracht naar de
Römerhalle, een Romeins museum in Bad Kreuznach. Een van deze grafmonumenten
trok onmiddellijk de aandacht van talrijke historici. Het is de grafsteen van
een zekere Tiberius Julius Abdes Pantera. Een prachtig
reliëf, dat het grootste deel van de grafsteen in beslag neemt, toont de
overledene staand in zijn Romeinse uniform. Helaas is het beeld slechts tot aan
de hals bewaard gebleven zodat het gezicht van de soldaat onbekend blijft, maar
waar het de historici voornamelijk om gaat is de volgende inscriptie op het
voetstuk:
|
Tib(erius) Iul(ius) Abdes Pantera Sidonia ann(orum) LXII stipen(diorum) XXXX miles exs coh(orte) I sagittariorum h(ic) s(itus) e(st) |
Tiberius Julius
Abdes Pantera, afkomstig uit
Sidon, 62 jaar oud, diende 40 jaar
als soldaat in de 1e
kohort van de boogschutters en ligt hier
begraven |
Uit deze
inscriptie blijkt, dat Pantera afkomstig was
uit de Fenicische stad Sidon en als soldaat in
de Cohors primus Sagittariorum, de 1e
kohort van de boogschutters diende. De afkomst en de betekenis van zijn
Syrische naam Abdes zijn onduidelijk, maar Pantera is het Latijnse woord voor panter, dat op
talrijke inscripties uit de vroege Romeinse keizertijd vooral als naam van
legioensoldaten toegepast wordt en waarschijnlijk een bijnaam was voor de
veldtekendragers op grond van hun kleding omdat zij soms een pantervel in
plaats van een leeuwenvel over hun helm hadden hangen. De Namen Tiberius Julius heeft Pantera
waarschijnlijk aangenomen, toen hij in de regeerperiode van keizer Tiberius na 25 dienstjaren het Romeinse burgerrecht verkreeg.
Het is bekend, dat de Cohors primus Sagittariorum
tot het jaar
Wie
zeggen de mensen, dat Ik ben?
Om het verband tussen
Yeshua en de Romeinse soldaat Tiberius Julius Abdes Pantera te kunnen zien zullen
we even de Bijbel opslaan om een aantal verzen te lezen die hiermee te maken
hebben. Laten we beginnen met Mattheüs 16:13-
Yeshua
in de Talmud?
Heel anders dachten sommige rabbijnen over Hem, die o.a. in de Tosefta, de Toledot Yeshu en in andere Rabbijnse geschriften heel lelijke dingen over Yeshua hebben geschreven. Om te beginnen noemen ze Hem niet iv>y Yeshua, maar v>y Yeshu. Volgens sommige extremisten zou dat een afkorting zijn voor vrkzv vm> xmy yimach shmo v’zichro, dus y yod > shin v vav, hetgeen betekent: “Moge zijn naam en herinnering uitgewist worden”, maar dat vind ik nogal ver gezocht en het wordt ook verder nergens bevestigd. Bovendien is het in het Jodendom gebruikelijk om dit achter de betreffende naam te zeggen zoals in het geval van Amalek, Haman en Hitler, maar het wordt nooit gebruikt als vervanging van de naam zelf. Het is daarom eerder voor de hand liggend dat Yeshu gewoon een verkorte versie is van Yeshua, net zoals Yosi van Yosef, Dani van Dani’el en Avi van Avraham. Maar dat neemt natuurlijk niet weg, dat sommige rabbijnen lelijke dingen over deze Yeshu geschreven hebben en zelfs met de toevoeging haNotzri [de Nazarener], terwijl het vrijwel zeker is dat de bewuste Yeshu die in de Talmud beschreven staat niet identiek is aan Yeshua haMashiach. Soms gebruiken ze daarvoor evengoed de Griekse naam ‘Jezus’ die de christenen hanteren om toch maar de link te leggen. Op een website van de Lubavitcher Chassidim lezen wij bijvoorbeeld het volgende: “De Talmud (Babylonische-uitgave) vermeldt andere zonden van ‘Jezus de Nazarener’: 1) Hij en zijn discipelen beoefenden tovenarij en zwarte magie, brachten Joden tot afvalligheid, en werden door buitenlandse, niet-Joodse mogendheden gesteund met als doel de Joodse eredienst te ontwrichtten (Sanhedrin 43a). 2) Hij was seksueel immoreel, aanbad stenen beelden (een tichelsteen wordt er vermeld), door zijn g’ddeloosheid werd hij afgesneden van het Joodse volk, en weigerde om berouw te hebben (Sanhedrin 107b; Sotah 47a). 3) In Egypte leerde hij toverij en wonderen te verrichtten, gebruikte methoden waarmee het snijden in zijn vlees gepaard ging, welke ook expliciet in de Bijbel zijn verboden (Shabbos 104b).” Einde citaat van http://www.noahide.com/yeshu.htm (Lubavitch website). Hoewel deze ultra-orthodoxe Joden ons willen wijsmaken dat de geciteerde Talmud-citaten op Yeshua haMashiach slaan, weten wij Messiasbelijdende Joden wel zeker dat dit niet het geval is en blijkbaar zijn wij niet de enigen. Op Wikipedia staat hierover namelijk het volgende: “Yeshu (Hebreeuws: v>y) is de naam van meerdere personen in een aantal klassieke werken van de Rabbijnse literatuur, waaronder de Babylonische Talmud (geredigeerd voor 600) en de klassieke Midrash-literatuur (geschreven tussen 200 en 700). De bekendste Yeshu's uit de Rabbijnse literatuur zijn Yeshu Ben Pandera (de oorspronkelijke) en Yeshu Ben Stada, die ook bekend stond onder de naam Yeshu Ben Pandera. Deze personen werden vooral bekend doordat christenen deze wel eens aanwijzen als bewijzen voor de historiciteit van de persoon Jezus.
Yeshu Ben Pandera
In het traktaat Sanhedrin 43a staat: “Het wordt geleerd: Op de vooravond van Pesach hing men Yeshu op. Een heraut liep 40 dagen ervoor rond en riep: Hij wordt gestenigd wegens toverij en verleiding van Israël. Laat ieder, die in zijn voordeel kan getuigen, hem verdedigen. Niemand daagde op en hij werd opgehangen op de vooravond van Pesach...maar Yeshu was dicht bij het bewind.” Deze passage heeft enkele gelijkenissen met het verhaal van Jezus in de evangeliën. Een van de vier versies van de Talmud voegt bovendien het woord haNotzri bij de naam van deze Yeshu, zodat het iets weg krijgt van Jezus de Nazarener. Notzri heeft echter in de Tenach een geheel andere betekenis en het zou ook een ongebruikelijke manier zijn om in het Hebreeuws uit Nazaret aan te duiden. Nergens in de evangeliën wordt echter gesuggereerd dat Jezus nauwe betrekkingen had met de Romeinse bezetter, zoals van deze Yeshu wordt beweerd. Bovendien executeerden de Romeinen vijf van de leerlingen van deze Yeshu, hetgeen niet overeenkomt met het verhaal van Jezus wiens leerlingen zijn boodschap verder zouden brengen. Volgens vele Talmud-geleerden, waaronder Maimonides, gaat deze passage over (de originele) Yeshu Ben Pandera, een leerling van rabbijn Yehoshua Ben Perachya. Aan Yeshu Ben Pandera en Yehoshua Ben Perachya wordt ook elders meermals gerefereerd, aan Ben Pandera (de leerling) in de negatieve zin. Chronologisch wordt Ben Pandera ongeveer tachtig tot honderd jaar voor de christelijke jaartelling geplaatst. Het gaat hier dus waarschijnlijk om een andere persoon dan Jezus van Nazareth.
Yeshu Ben Stada
In Talmud Shabat 104b, Sanhedrin 67a wordt ene Yeshu Ben-Stada (zoon van Stada), alias Yeshu Ben Pandera (Yeshu zoon van Pandera) genoemd. Hij deed aan zwarte magie. Zijn moeder was een kapster en heette Miryam, maar werd ook Stada genoemd. De moeder had een buitenechtelijke affaire met Pandera, waaruit Yeshu Ben Stada werd geboren. Ook in Yeshu Ben Stada ziet men wel eens de persoon Jezus. Het woord kapster (ayy>n aldgm Megadla Nashia in het Aramees) heeft iets weg van Magdalena (tyldgm Magdalit in het Hebreeuws).. Jezus' moeder en Maria Magdalena heetten ook Miryam (Maria is de vergriekste vorm daarvan). De zoon deed aan 'wonderen'. Bovendien was deze Miryam door een ander 'bevlekt'. Degenen die dit verhaal niet plausibel achten wijzen erop dat Jezus' moeder geen kapster was, Miryam Magdelena niet Jezus' moeder was en de naam van de wettelijke vader, Pappos Ben Yehuda, geheel niet op die van Jozef lijkt. Bovendien wordt deze 'stiefvader van Jezus' ook elders in de Talmud genoemd, was hij geen timmerman maar een leerling van een beroemde rabbijn, rabbi Aqiva, en werd hij in ieder geval na de dood van Jezus uit het Nieuwe Testament geboren. Pappos Ben Yehuda werd gedood door de Romeinen in 134, tegelijk met rabbi Aqiva. Yeshu Ben Stada werd gedood door de Romeinen op de vooravond van Pesach in Lod, niet ver van het huidige Tel Aviv.” Tot zover het citaat van Wikipedia, waar ik toch nog graag een nadere toelichting op wil geven.
Yeshu haNotzri
In hun commentaar op het traktaat Sanhedrin 43a schrijven zij, dat één van de vier versies van de Talmud het woord haNotzri voegt bij de naam van Yeshu Ben Pandera, zodat het iets weg krijgt van Jezus de Nazarener, maar dat Notzri volgens Wikipedia echter in de Tenach een heel andere betekenis zou hebben en bovendien een ongebruikelijke manier zou zijn om in het Hebreeuws ‘afkomstig uit Nazaret’ aan te duiden. Wel, deze opmerking heeft mij nieuwsgierig gemaakt en ik heb het uiteraard onderzocht. Ik begrijp nu wat zij daarmee bedoelen. Volgens mij hebben ze het hier o.a. over vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 11:1-2 met de bekende zin: “En er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isaï en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen.” (NBG). “Een loot ontspruit aan de stronk van Isaï, een scheut bloeit op uit zijn wortels.” (GNB). Het Hebreeuwse woord dat hier vertaald wordt met 'rijsje’ of ‘loot’ en in andere vertalingen met ‘spruit’, is het woord rjn 'netzer', dat afkomstig is van rjn ‘natzar’, dat 'bewaken’ of ‘bewaren’ betekent. Een bewaker ofwel een wachter is dan een yrjn 'notzri' in het Hebreeuws en ayrjn 'natzraya’ in het Aramees. In vhyttm Matityahu [Matteüs] 2:23 wordt deze tekst in combinatie met de plaatsnaam Nazaret op Yeshua toegepast: “Hij ging wonen in de stad Nazaret, en zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeten: Hij zal Nazoreeër genoemd worden.” Volgens Wikipedia zou dit echter onjuist zijn omdat Notzri een ongebruikelijke manier zou zijn om in het Hebreeuws ‘Nazarener’, dus een inwoner van Nazaret aan te duiden. Ik zou zeggen: ja en nee, en ik zal u ook uitleggen waarom. De oorspronkelijke Hebreeuwse naam van de stad Nazaret is trjn Netzaret en in het Aramees trjn Natzrat. Iemand die uit trjn Netzaret afkomstig is kan daarom Taalkundig gezien geen Notzri zijn omdat daarbij de ‘t’ ontbreekt. Het juiste woord is derhalve ytrjn Natzrati. Ik zal twee voorbeelden van deze Hebreeuws/Aramese constructie noemen: een inwoner van Tz’fat [Safad] is een Tz’fati en een inwoner van Eilat is een Eilati. Dat kan ook op landen worden toegepast: een inwoner van Israël is een Israeli en een inwoner van Tzarfat [Frankrijk] is een Tzarfati. Dus wat dat betreft hebben ze wel gelijk, maar dat hoeft nog niet per definitie te betekenen dat Notzri helemaal niets met Nazaret te maken zou hebben. Het zou namelijk best nog wel eens kunnen dat het verschil tussen Notzri en Natzrati vergelijkbaar is met het verschil tussen een Hagenaar en een Hagenees. Een Hagenaar is iemand die in Den Haag woont, maar er niet per se is opgegroeid. Maar als je in Den Haag geboren en getogen bent, dan ben je een Hagenees. Yeshua was weliswaar woonachtig in Nazaret, maar Hij was daar niet geboren. Begrijpt u wat ik bedoel? Maar volgens mij was het verband dat Mattheüs legt tussen Netzaret en Notzri een woordspeling onder gebruikmaking van de letters n nun, j tzade en r resh om daarmee te verwijzen naar vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 11:1-2. Maar terug naar ons oorspronkelijke onderwerp.
Toledot Yeshu
U
ziet in elk geval dat de beide personen met de naam Yeshu,
die in de Talmud genoemd worden in geen geval
identiek kunnen zijn aan Yeshua haMashiach
omdat ze in een hele andere tijd leefden en op geen enkele wijze overeenkomsten
met Yeshua vertonen, behalve dat beiden op de
vooravond van Pesach gedood werden en dat de
moeder van Yeshu Ben Stada eveneens Miryam heette. Toch hebben sommige rabbijnen
desondanks deze overeenkomsten gretig aangegrepen om de Talmud-passages over Yeshu Ben Pandera
als basis te gebruiken voor een g’dslasterlijk boek,
getiteld “Toledot Yeshu” [Verhalen over Yeshu], waarin felle aanvallen op de
persoon van Yeshua haMashiach staan. De eerste versies in het Aramees dateren uit
omstreeks 750 n.Chr. De naam Ben Pandera veranderden zij
hierin echter in Ben Panthera, waarin een ironische
zinspeling te ontdekken valt op parqenoV Parthenos, het Griekse woord voor de maagd van Matthéüs 1:23 en dus
ook Jesaja 7:14, want volgens hen was Miryam [Maria] helemaal geen maagd meer toen zij zwanger was. Zij
gebruikten deze Talmud-teksten daarom dan ook om daarmee ten opzichte van de
maagdelijke geboorte van Yeshua te ‘bewijzen’, dat de werkelijke reden voor dergelijke
aanspraken bestond in een verdoezelen van het bastaardschap. Met name rondom
het Kerstfeest werd uit deze smaadschrift aan de Joodse gezinnen voorgelezen,
dat Yeshu een
buitenechtelijk kind geweest zou zijn van een Romeinse soldaat, Panthera geheten, en
geboren zou zijn uit een hoer, genaamd Miryam. In Egypte zou Yeshu de toverkunst der Egyptenaren hebben geleerd, en daarna zou
Hij als ‘hoge ingewijde’ naar Israël zijn teruggekomen. De “Toledot Yeshu” [Verhalen over Yeshu] is een
verzameling van Joodse legendes over het leven van Yeshua,
voornamelijk
afkomstig uit het mondelinge circuit en dus moeilijk te traceren, maar waarschijnlijk
niet ouder dan de 2de eeuw. Het in boekvorm op schrift stellen gebeurde op zijn
vroegst in de 4e of 6e eeuw of misschien zelfs in de vroege
middeleeuwen. De oorspronkelijk in het Aramees geschreven “Toledot Yeshu”, waarvan er nog recensies in het Hebreeuws
bewaard zijn gebleven, en latere versies in het Judeo-Perzisch, Jiddisch en
Ladino (Judeo-Spaans), werden vanaf de 9e eeuw op grote schaal
verspreid in Europa en het Midden-Oosten. De aartsbisschop van Lyon, Agobard, getuigde reeds in 826 van het bestaan van
een dergelijk boek in “De Judaicis Superstitionibus”.
Na lange tijd bij de christenen onbekend te zijn geweest, werden de “Toledot Yeshu” tegen het einde van de 13e eeuw voor
het eerst in het Latijn vertaald door de Dominicaanse monnik Ramón Martí. Dit g’dslasterlijk
boek is in sommige kringen cultureel en intellectueel weliswaar van enig
belang, maar de inhoud ervan uiteraard zonder historische waarde. Talrijke
versies met satirisch-polemisch werden in de middeleeuwen bekend als een soort
ondergrondse literatuur als tegenreacties voor de jodenvervolging door de
christenen. Miryam [Maria] werd dus als
verloofde van Yosef [Jozef] verleid door een
Romeinse soldaat genaamd Panthera, en bevalt
van Yeshua, die als tovenaar en volksverleider
optreedt en door Yehuda [Judas] overwonnen en
aan de rechterlijke macht uitgeleverd wordt. De discipelen van Yeshua stelen Zijn lijk en beweren dat Hij was
opgestaan. Dat is in het kort de inhoud van deze smaadschriften, waarin zowel
de maagdelijke geboorte alsook de opstanding en hemelvaart bestreden worden.
Voor de meeste Joden was de Toledot Yeshu tot
in de 19e eeuw de enige bron van informatie over Yeshua,
want B’rit haChadasha [Het Nieuwe Testament]
mochten zij van de rabbijnen niet lezen. Maar
gelukkig heeft deze “Toledot Yeshu” geen officiële plaats binnen het Jodendom gekregen en is
het, als zijnde van geen enkele historische waarde, door vele hedendaagse
Joodse geleerden verworpen. Desalniettemin heeft het tot in onze tijd helaas
toch het denkpatroon van een groot aantal met name orthodoxe Joden mede bepaald.
Een centraal figuur in deze “Toledot Yeshu” is zoals we gelezen hebben een zekere Pandera ofwel Panthera, volgens de
rabbijnen de biologische vader van Yeshua, en daarmee zijn we dus weer terug bij de Romeinse soldaat
Tiberius Julius Abdes Panthera (geboren ca. 22 v. Chr. in Sidon en overleden ca. 40 n. Chr. nabij het huidige
Bingen), waar deze Bijbelstudie mee begon en wiens
grafsteen gevonden is in Bingerbrück. Volgens de Panthera-legende
zou Yeshua dus geboren zijn uit een relatie van Miryam
[Maria] met deze man tijdens haar verloving met Yosef
[Jozef]. Yeshua zou derhalve een rzmm Mamzer zijn, een
buitenechtelijk kind. Dit feit zou worden verdoezeld door de bewering van Maria
dat de Heilige Geest over haar gekomen zou zijn. De vermeende biologische vader
van Yeshua, Tiberius
Julius Abdes Panthera, wordt echter niet alleen in Joodse bronnen
genoemd.
Origenes contra Celsus
In de meest
bekende niet-joodse bron, ‘Contra Celsum’ van Origenes, die juist tot doel had de legende te
weerleggen, is wel specifiek gewag gemaakt van een Romeinse soldaat genaamd Panthera. Origenes
(begin derde eeuw) weerlegde een smaadschrift, dat enkele decennia vóór hem
door de Griekse filosoof Celsus in Alexandrië geschreven
werd. Celsus zelf beriep zich hiervoor op
Joodse bronnen. In hoofdstuk 1 (28-38) citeerde Origenes
in zijn reactie hierop de bewering dat de maagdelijke geboorte door Jezus zelf
zou zijn verzonnen. In werkelijkheid zou Hij afkomstig zijn uit een arm milieu
en geboren zijn uit een overspelige relatie tussen zijn moeder, een werkster,
met de Romeinse legionair Panthera. Hier zijn
de belangrijkste passages: 1,28: "Hierna laat Celsus
een Jood aan het woord, die zelf met Jezus overhoop ligt en Hem, zoals hij
denkt, wegens een aantal dingen ter verantwoording roept. Ten eerste beschuldigt
hij Hem dat Hij ten onrechte had beweerd de zoon van een maagd te zijn, hij
lastert Hem ook, omdat Hij afkomstig is uit een Joods dorp en van een arme
inheemse werkster afstamt. Verder zegt hij dat zij door haar man, die een
timmerman was, zou zijn verstoten omdat zij schuldig was aan overspel. Voorts
brengt hij naar voren, dat zij, door haar man verstoten, eerloos en rusteloos
rondzwervend, van Jezus in het geheim bevallen is. Deze zou vervolgens door de
armoede als dagloner naar Egypte getrokken zijn en daar vervolgens enkele toverkrachten
geleerd hebben, waar de Egyptenaren trots op waren. Daarna is Hij weer teruggekomen
en had deze krachten vaak gebruikt om Zich daarmee in het openbaar als G’d uit
te geven." 1,32: "Maar laat ons nu weer terug keren naar de woorden
die Celsus de Jood laat zeggen, namelijk de
bewering, dat de timmerman, met wie de moeder van Jezus verloofd was, haar verstoten
zou hebben omdat ze schuldig bevonden zou zijn van overspel en een kind
gekregen zou hebben van een Romeinse soldaat genaamd Panthera.”
Tot zover de beide citaten uit het boek van Origenes.
De ‘Jood’ van Celsus belichaamt blijkbaar de
voornaamste argumenten die van Joodse zijde in de tweede eeuw tegen de
christelijke leer van een bovennatuurlijke geboorte van Yeshua werden aangehaald. Of zijn Joodse bronnen teruggaan tot in
de eerste eeuw valt uit de geschriften van Celsus
niet echt op te maken, maar wordt wel waarschijnlijk geacht. In Rabbijnse bronnen
uit de tannaïtische tijd (tot 220 n.Chr.) worden Miryam
[Maria] of Yeshua [Jezus] in elk geval nergens
genoemd. In de Toledot Yeshu, de verzameling
van verhalen over Yeshua, wordt daarentegen tot
in detail de verleiding van de jonge Miryam
beschreven. Deze verhalen zijn echter pas eeuwen later in boekvorm gebundeld,
zodat niet kan worden aangenomen dat zij gebaseerd zouden zijn op betrouwbare
informatie die ouder is dan hetgeen Celsus
schreef en door Origenes werd geciteerd. Hoe
dan ook, in de Talmud werd gesproken over een
zekere 'Ben Pandera' en Celsus heeft daaraan gerefereerd in zijn werk alhqhV logoV
Alēthēs logos [Het ware woord], een kritisch boek over het
christelijk geloof, geschreven rond 178. Dit boek zelf is weliswaar verloren
gegaan, maar toch evengoed bijna geheel bewaard gebleven dankzij het hierboven
aangehaalde boek ‘Contra Celsum’, dat de
kerkhistoricus Origenes in het jaar 248
geschreven heeft in zijn bestrijding van deze anti-christelijke en
anti-messiaanse polemiek die hij daarin vrijwel letterlijk heeft geciteerd. Tot
zover Celsus en Origenes
en tot zover de Toledot Yeshu.
Gij zegt het zelf!
Wij weten nu hoe
sommige rabbijnen en Griekse filosofen over Yeshua
dachten, en we weten op grond van Mattheüs 16:13-17, Marcus 8:27-29 en Lucas
9:18-20 ook wat het gewone volk in Israël dacht wie Hij was. Velen zagen in Hem
een profeet. Keifa [Petrus] zei ronduit dat Yeshua de door de Tora
en de profeten beloofde Mashiach is en Tomas noemde Hem: “yhvla
ynvda Adoni v’Elohai!
- Mijn Heer en mijn G’d!” (]nxvy
Yochanan [Johannes] 20:28). Zijn talmidim
[discipelen] geloofden in Yeshua en dat is op zich niet zo vanzelfsprekend als
we bedenken dat zij allemaal belijdende Joden waren. Het valt immers niet te
rijmen met de traditie van het monotheistische Jodendom om één van hun
landgenoten te aanbidden als Heer en G’d! Joodse gelovigen zouden dit alleen
doen als Zijn gedrag en Zijn leer daartoe aanleiding had gegeven en gebaseerd
zouden zijn op de vervulling van Bijbelse profetieën. Maar zelfs de geestelijke
en politieke leiders getuigden na Zijn arrestatie zonder het als zodanig
bedoeld te hebben van Zijn G’ddelijkheid en proclameerden daarmee Zijn ware
identiteit: “De hogepriester stond op en
vroeg: Hebt U niets te zeggen op de beschuldiging die deze mensen tegen U
inbrengen? Maar Yeshua zweeg. Ik bezweer u bij
de levende G’d, hernam de hogepriester, zeg ons, bent u de Mashiach [Christus], de Zoon van G’d? U hebt het zelf
gezegd, antwoordde Yeshua!” (vhyttm Matityahu [Matteüs]
26:63-64, Groot Nieuws Bijbel). Ook de evangelist Lucas
beschrijft deze ondervraging. Ik citeer deze tekst uit de Willibrord-vertaling:
“Toen het dag werd, kwam de raad van
oudsten van het volk bijeen, hogepriesters en schriftgeleerden. Men bracht Yeshua voor hun Sanhedrin.
Zij zeiden: Als U de Messias bent, zeg ons dat dan. Maar Hij zei hun: Als Ik
het u zeg, zult u Me niet geloven; als Ik u wat vraag, zult u Me geen antwoord
geven. Van nu af aan zal de Mensenzoon zitten aan G’ds machtige rechterhand. Toen
zei iedereen: U bent dus de Zoon van G’d?’ Hij sprak tot hen: U zegt zelf dat
Ik het ben!” (Lucas 22:66-70). Precies hetzelfde antwoord gaf Hij later ook
aan Pilatus zoals we in de Groot Nieuws Bijbel
lezen: “Yeshua werd voor de gouverneur
geleid en die vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ ‘U zegt het zelf,’
antwoordde Yeshua!” In Marcus 15:2 lezen
wij in de Willibrord-vertaling: “Pilatus stelde Hem de vraag: Bent U de koning van de
Joden? Hij gaf hem ten antwoord: U zegt het zelf!” en in Lucas 23:3,
eveneens in de Willibrord-vertaling: “Pilatus vroeg hem: Bent u de koning van de Joden?
Hij antwoordde hem: U zegt het zelf!” Yeshua ontkende
het niet, maar Hij hoefde het ook niet te bevestigen omdat deze
hoogwaardigheidsbekleders in feite zelf al het antwoord gegeven hebben op hun
retorische vraag. Hij had het niet nodig om tegenover Zijn aardse rechters Zijn
ware identiteit bekend te maken en daarom gaf Hij hen slechts als antwoord: “U
zegt het zelf!” Heel anders reageerde Hij bij gewone mensen.
Getuigenis
van Yeshua over Zichzelf
Toen Yeshua door Samaria
trok, raakte Hij bij een waterput in gesprek met een inheemse vrouw. Zij was nogal
verwonderd dat Hij als Jood aan haar als Samaritaanse te drinken vroeg, want
Joden gingen niet om met Samaritanen. Al gauw kwam hun gesprek daardoor op het
geloof. Op een gegeven moment zei de vrouw tot Hem: “Ik weet, dat de Mashiach komt, die Christus genoemd wordt; wanneer die komt, zal Hij
ons alles verkondigen. Yeshua zeide tot haar:
Ik, die met u spreek, ben het!" (]nxvy Yochanan [Johannes] 4:25-26). In tegenstelling tot de
geestelijke en politieke leiders maakte Yeshua
aan deze eenvoudige Samaritaanse vrouw rechtstreeks Zijn ware identiteit
bekend, toch niet alleen aan haar. In Johannes 13:13 zei Hij tegen Zijn
tafelgenoten tijdens de Seiderviering: “Gij
noemt Mij Meester en Heer, en gij zegt dat terecht, want Ik ben het!” Keer
op keer openbaarde Yeshua zich aan het gewone
volk in bewoordingen en beelden, die gelovige Joden slechts op de Eeuwige zelf
kunnen toepassen omdat deze uitspraken afkomstig zijn uit de TeNaCH. Wat Yeshua
over Zichzelf gezegd heeft is ongekend onder de mensen, want Hij proclameerde
daarmee openlijk Zijn G’ddelijkheid: “dxa
bahv yna Ani
v’haAv echad! - Ik en de Vader
zijn één!” (]nxvy
Yochanan [Johannes] 10:30), referende aan “dha
hvhy vnyhvla hvhy lar>y im> Sh’ma
Yisrael: Adonai Eloheinu, Adonai echad! Hoor Israël: de Eeuwige is onze G’d, de
Eeuwige is één!” (,yrbd D’varim [Deuteronomium]
6:4). Yeshua doelde daarmee op de samengestelde
éénheid van het woord dha echad, dit in
tegenstelling tot de absolute éénheid in het woord dyxy yachid. Zijn bekende
uitspraak: “Wie Mij gezien heeft, die
heeft de Vader gezien!” komt dan eigenlijk op hetzelfde neer. Yeshua stelt Zich ook in andere uitspraken
onmiskenbaar gelijk aan de Eeuwige door teksten die op de G’d van Israël slaan op
Zijn eigen Persoon te betrekken. Ik noem er een paar van deze teksten op. In ,ylht Tehilim
[Psalmen] 27:1 schrijft David: “yi>yv yrva hvhy Adonai Ori v’Yishi! - De Eeuwige is mijn Licht en mijn Heil!” Yeshua zegt over Zichzelf: “,lvih rva ykna Anochi Or haOlam - Ik ben het
Licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij
zal het licht des levens hebben.” (]nxvy
Yochanan [Johannes] 8:12) en: “Ik ben als een Licht in de wereld
gekomen, opdat een ieder, die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijve.”
(]nxvy
Yochanan [Johannes] 12:46). In ,ylht Tehilim
[Psalmen] 23:1 schrijft David: yvir
hvhy “Adonai ro’i! - De Eeuwige is mijn Herder!” Yeshua zegt over Zichzelf: “bvuh
hivrh avh yna Ani Hu haRo’e haTov! - Ik ben de Goede Herder! De Goede
Herder zet Zijn leven in voor Zijn schapen!” (]nxvy
Yochanan [Johannes] 10:11) en in
vers 14: “Ik ben de Goede Herder en Ik ken de Mijne en de Mijne
kennen Mij!” De profeet Jesaja schrijft: “Zo zegt de Eeuwige, de Koning
en Verlosser van Israël, Adonai Tz’vaot: Ik ben
de eerste en Ik ben de laatste en buiten Mij is er geen G’d!” (vhyi>y
Yeshayahu [Jesaja] 44:6) en: “Hoor
naar Mij, Ya’aqov, Israël, mijn geroepene. Ik
ben dezelfde, Ik ben de eerste, ook ben Ik de laatste!” (vhyi>y
Yeshayahu [Jesaja] 48:12). In
het boek Openbaring schrijft Yochanan
[Johannes]: “Ik ben de A alfa
en de W omega, de a alef
en de t tav, zegt de Eeuwige G’d, die is en die was en
die komt, de Almachtige.” (]vyzx Chizayon [Openbaring]
1:8). Dat Yeshua hier aan het woord is en
hetgeen Jesaja over de Eeuwige schreef nu op Zichzelf betrekt blijkt uit de
volgende teksten: “Ik ben de eerste en de laatste, en de levende, en Ik ben
dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en Ik heb de
sleutels van de dood en het dodenrijk.” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 1:17-18). “Dit zegt de
eerste en de laatste, die dood geweest is en levend geworden.” (]vyzx Chizayon [Openbaring]
2:8). “Ik ben de A alfa
en de W omega, de a alef
en de t tav, het begin en het einde. Ik zal de dorstige
geven uit de bron van het water des levens om niet.” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 21:6). en tenslotte nog een
keer: “Ik ben de A alfa
en de W omega, de a alef
en de t
tav, de eerste en de
laatste, het begin en het einde.” (]vyzx Chizayon [Openbaring]
22:13). Een Jood in die tijd zou dit soort uitspraken met betrekking tot de
Eeuwige nooit over zichzelf gedaan hebben om daarmee op te scheppen of gewoon
voor de gein omdat hij anders gevaar liep om gestenigd te worden wegens
G’dslastering. Yeshua daarentegen sprak hier over
zaken die waar zijn en ver boven ons op stijgen, want Hij is wie Hij is! Daarom
kon Hij ook terecht zeggen: “Ik ben” zoals de Eeuwige ook tegen Moshe [Mozes] gezegd heeft: “Ik ben die Ik ben!”
(tvm> Sh’mot [Exodus]
3:13-14). Zo heeft Yeshua o.a. gezegd: “Ik
ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren…” (]nxvy Yochanan [Johannes] 6:35). “Ik ben het levende brood,
dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in
eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven
der wereld.” (]nxvy
Yochanan [Johannes] 6:51). “Ik
ben de deur der schapen.” (]nxvy
Yochanan [Johannes] 10:7). “Ik
ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en
hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.” (]nxvy Yochanan [Johannes] 10:9). “Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij
gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven.” (]nxvy Yochanan [Johannes] 11:25). “Ik ben de ware wijnstok en
mijn Vader is de landman.” (]nxvy
Yochanan [Johannes] 15:1). “Ik
ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem,
die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen.” (]nxvy Yochanan [Johannes] 15:5). De wellicht meest prikkelende en
tegelijk meest bekende uitspraak van Yeshua is: “Ik ben de weg en de
waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij!” (]nxvy Yochanan [Johannes] 14:6). Yeshua
claimt daarmee een exclusiviteit, waarmee ieder verder zoeken naar G’d zinloos
is. Hij is de weg, !rdh haDerech in
het Hebreeuws, er is geen andere weg dan Hij alleen! Hij heeft van Zichzelf
gezegd dat niemand tot de Vader kan komen dan door Hem. Niet door meditatie,
niet door Buddha en ook niet door Mohammed. Je kan dus geen twee geloven aanhangen en er
ook geen mix van maken. Je moet echt kiezen. Geloof je wat Hij zegt of geloof
je het niet? Beide keuzes hebben uiteraard ver strekkende gevolgen voor de rest
van je leven en dan heb ik het uiteraard niet alleen over het aardse leven. Yeshua zegt dat Hijzelf de enige, unieke weg is
waardoor iemand bij de Vader kan komen en dat het dus alleen door Hem kan en
door niemand anders. Als je dat gelooft, dan is het onmogelijk om als volgeling
van Yeshua te blijven zeggen dat er voor mensen
met een ander geloof misschien ook wel een andere weg tot G’d zou zijn.
Conclusie
Ik wil deze Bijbelstudie afsluiten met een
van de teksten waarmee we begonnen zijn, maar deze keer uit de vertaling van
‘Het Boek’. “Toen Yeshua in Caesarea Filippi kwam, vroeg Hij Zijn discipelen:
Wie ben Ik volgens de mensen? Sommigen zeggen dat U Johannes de Doper bent,
antwoordden zij. Anderen denken dat U Elia bent, of Jeremia of één van de
andere profeten. En jullie dan? vroeg Hij. Wat denken jullie van Mij? Wie ben
Ik? Simon Petrus zei: U bent de Mashiach, de Zoon van de levende G’d!” (vhyttm Matityahu [Matteüs]
16:13-17). Kunnen wij dat
beamen? Het is wat dat betreft alles of niets. Of je zegt: “Ja, ik geloof dat Yeshua de Zoon van G’d is! Ik geloof dat Hij de Heer
der Heren en de Koning der Koningen is! Ik geloof dat Hij de Mashiach is! Ik geloof dat Hij het vleesgeworden
Woord is!” Of je zegt: “Ik geloof het niet!” Aan u de keuze! Jammer genoeg
zitten de kerken en zelfs de messiaanse gemeenten vol met mensen die geen
duidelijke keuze kunnen maken. Sommigen geloven zeer zeker dat Hij de Zoon van
G’d is, maar zij zeggen er meteen bij dat alle gelovigen Zonen G’ds zijn.
Anderen zijn ervan overtuigt dat Yeshua
daadwerkelijk de Mashiach is, maar zij geloven
niet dat Hij ook G’d zelf is. Weer anderen zien in Hem een profeet, maar dan
wel een van de vele profeten. Sommigen zien Hem als een Tzadiq, een rechtvaardige, een goed mens, een rabbi, een voorbeeld voor ons allen, maar zij zien in
Hem niet de Gezalfde, de Verlosser, de Redder van de mensheid. Sommigen zien
Hem als een blanke Europeaan met blond haar en blauwe ogen, en als zij Hem nu
op straat zouden tegenkomen zouden ze denken dat Hij een Marokkaan of een
Hindoestaan is vanwege Zijn oosterse uiterlijk. Velen zijn zich er niet van
bewust dat Hij de Koning van Israël is, die als Jood uit het geslacht van David geboren is in G’ds eigen land Israël en als
zodanig ook weer terug zal keren naar de heilige stad Yerushalayim
[Jeruzalem]. Nog steeds zijn de meningen over Hem zeer verdeeld, net als toen.
Jammer genoeg wordt het beeld dat velen van Yeshua
hebben nog steeds bepaald door de leerstellingen van de kerk of gemeente
waartoe zij behoren. Zij wijken daarmee derhalve niet af van de mensen uit de
dagen van Yeshua. Daarom is voor een ieder van
ons ook vandaag de dag de vraag: geloven wij in Hem zoals Hij Zichzelf in Zijn
Woord bekend heeft gemaakt of geloven wij in Hem op de manier zoals het ons
door allerlei voorgangers en evangelisten wordt wijsgemaakt? Yeshua stelde rechtstreeks aan Zijn talmidim [discipelen] de vraag: “Maar gij, wie zegt
gij, dat Ik ben?” Die vraag stelt Yeshua ook aan ons! Wie
zeggen wij dat Hij is? Zijn discipelen zagen in Hem meer dan alleen een
profeet, meer dan alleen een rabbi, meer dan
alleen een Tzadiq. Keifa
[Petrus] zei ronduit dat Yeshua de door de Tora en de profeten beloofde Mashiach
is en Tomas noemde Hem zelfs “Mijn Heer en mijn G’d!” Ik kan niet
anders dan mij van harte hierbij aan te sluiten. En hoe zit dat met u? De vraag
van Yeshua is ook rechtstreeks aan u gericht: “Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?”
Werner Stauder